Alle wetboeken › BW

BOEK 5 Verbintenissen › Titel 3 Algemeen regime van de verbintenis

Hoofdstuk 2 Verbintenis met tijdsbepaling

5.149–5.155

Art. 5.149

Definitie

Een verbintenis is met tijdsbepaling wanneer de opeisbaarheid of het tenietgaan ervan wordt uitgesteld totdat een toekomstige en zekere gebeurtenis zich voordoet, ook al is de datum ervan onzeker.

De tijdsbepaling is opschortend wanneer het verstrijken ervan de verbintenis opeisbaar maakt. De tijdsbepaling is uitdovend wanneer het verstrijken ervan het tenietgaan van de verbintenis teweegbrengt.

Art. 5.150

Vorm van de tijdsbepaling

De tijdsbepaling is uitdrukkelijk of stilzwijgend.

Art. 5.151

Verstrijken van de tijdsbepaling

Het verstrijken van de tijdsbepaling krijgt uitwerking van rechtswege en voor de toekomst.

Art. 5.152

Invulling van de opschortende tijdsbepaling

Wanneer een verbintenis onderworpen is aan een opschortende tijdsbepaling, maar de partijen de gebeurtenis die als tijdsbepaling is vooropgesteld niet hebben bepaald of het verstrijken van de tijdsbepaling niet hebben vastgesteld, dan wordt zij bepaald naargelang de omstandigheden, de aard en de strekking van het contract.

Art. 5.153

Afstand van de opschortende tijdsbepaling

Een partij kan afstand doen van de opschortende tijdsbepaling bepaald in haar uitsluitend belang, zolang die niet verstreken is.

De tijdsbepaling wordt vermoed te zijn bepaald in het uitsluitend belang van de schuldenaar, tenzij uit de wet of de bedoeling van de partijen blijkt, gelet op de aard en de strekking van het contract, dat zij was bepaald in het uitsluitend belang van de schuldeiser of in dat van beide partijen.

Art. 5.154

Wachttijd bij de opschortende tijdsbepaling

Hetgeen slechts onder opschortende tijdsbepaling verschuldigd is, kan niet worden opgeëist vóór het verstrijken ervan.

Hetgeen betaald is vóór het verstrijken van de opschortende tijdsbepaling hoeft evenwel niet te worden teruggegeven.

De schuldeiser kan, vóór het verstrijken van de opschortende tijdsbepaling, elke handeling verrichten tot behoud van zijn rechten.

Art. 5.155

Verval van de opschortende tijdsbepaling

De schuldenaar kan het voordeel van de opschortende tijdsbepaling niet inroepen:

1°indien hij failliet is gegaan;

2°indien hij, door zijn eigen fout, de aan de schuldeiser beloofde zekerheid niet verstrekt;

3°indien hij, door zijn eigen fout, de zekerheden die de verbintenis waarborgen vermindert; of

4°in de overige gevallen bepaald door de wet.

Het verval van de opschortende tijdsbepaling treedt van rechtswege in.

Het verval van de opschortende tijdsbepaling in hoofde van de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen aan zijn medeschuldenaars en aan de borg, zelfs niet bij hoofdelijkheid.