Alle wetboeken › BW

BOEK 4 Nalatenschappen, schenkingen en testamenten › Titel 2 Schenkingen, testamenten en erfovereenkomsten › Hoofdstuk 2 Legaten

Afdeling 5 Bijzondere legaten

4.201–4.206

Art. 4.201

Definitie van het bijzonder legaat

Een bijzonder legaat of legaat onder bijzondere titel, is elk legaat dat niet de algemeenheid van de goederen van de testator betreft, en evenmin een breukdeel van de goederen van de testator, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een breukdeel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen.

Art. 4.202

Eigendom, bezit en genot

§ 1.Ieder zuiver en onvoorwaardelijk legaat verleent aan de legataris, van de dag van het overlijden van de testator, een recht op het gelegateerd goed. Dat recht gaat op zijn erfgenamen over.

§ 2.Nochtans kan de bijzondere legataris geen bezit nemen van het gelegateerde goed, noch aanspraak maken op de vruchten of interesten daarvan, dan van de dag waarop hij de vordering tot afgifte heeft gedaan, overeenkomstig de in artikel 4.196 bepaalde volgorde, of van de dag waarop de afgifte hem vrijwillig is toegestaan.

§ 3.De interesten of vruchten van het gelegateerde goed lopen ten voordele van de legataris, te rekenen van de dag van het overlijden, en zonder dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld:

1°wanneer de testator zijn wil daartoe in het testament uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven;

2°wanneer een lijfrente of een pensioen is vermaakt als levensonderhoud.

Art. 4.203

Uitkering van het bijzonder legaat

De erfgenamen van de testator of andere schuldenaars van een legaat, zijn persoonlijk gehouden tot het uitkeren ervan, ieder naar evenredigheid van zijn aandeel in de nalatenschap.

Zij zijn er hypothecair voor het geheel toe gehouden, ten belope van de waarde van de onroerende goederen van de nalatenschap waarvan zij houder zijn.

Art. 4.204

Modaliteiten van deze uitkering

§ 1.Het gelegateerd goed wordt geleverd met de accessoria ervan, en in de staat waarin het zich op de dag van het overlijden van de testator bevindt.

§ 2.Indien, voor het testament of daarna, op het gelegateerd goed een hypotheek is gevestigd voor een schuld van de nalatenschap, of zelfs voor de schuld van een derde, of indien het goed met een vruchtgebruik is bezwaard, is hij die het legaat moet uitkeren, niet verplicht het goed vrij te maken, tenzij hij door een uitdrukkelijke beschikking van de testator hiermee belast is.

§ 3.Wanneer hij die de eigendom van een onroerend goed gelegateerd heeft, dit goed naderhand door enige verkrijging vergroot, wordt het later verkregen goed, ook al paalt het aan het goed, niet geacht, zonder een nieuwe beschikking, van het legaat deel uit te maken.

Het voorafgaande vindt geen toepassing op verfraaiingen, of op nieuwe bouwwerken die op het gelegateerde erf worden aangebracht, of op een omheind erf waarvan de testator de omheining vergroot.

§ 4.Wanneer het legaat in een niet gespecificeerd soortgoed bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste soort te geven. Hij mag echter evenmin de slechtste aanbieden.

Art. 4.205

Kosten van afgifte

De kosten van de vordering tot afgifte komen ten laste van de nalatenschap, doch zonder dat daaruit een vermindering van de reserve kan volgen.

De erfbelasting is door de legataris verschuldigd.

Dit alles voor zover de testator hierover niet anders heeft beschikt.

Art. 4.206

Schulden en lasten van de nalatenschap

De legataris onder bijzondere titel is niet gehouden tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap, maar hij moet, in voorkomend geval, de inkorting van zijn legaat ondergaan, evenals de hypothecaire vordering op het gelegateerde onroerend goed.

De bijzondere legataris die de schuld heeft gekweten waarmee het gelegateerde onroerend goed bezwaard was, treedt, tegenover de erfgenamen, de algemene legatarissen en de legatarissen onder algemene titel, in de rechten van de schuldeiser.