Alle wetboeken › BW

BOEK 4 Nalatenschappen, schenkingen en testamenten › Titel 1 Nalatenschappen en wettelijke erfopvolging

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

4.10–4.12

Art. 4.10

Erfrechtelijke roeping

§ 1.De nalatenschappen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de erflater, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn verwanten in de opgaande lijn, aan zijn verwanten in de zijlijn, en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend, overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald.

§ 2.De erfrechtelijke roeping wordt vastgesteld volgens de eventuele aanwezigheid van een langstlevende echtgenoot of langstlevende wettelijk samenwonende, en van een van de vier mekaar opvolgende erfrechtelijke situaties, in de hierna vermelde volgorde:

1°aanwezigheid van afstammelingen die de eerste erfrechtelijke orde vormen;

2°afwezigheid van afstammelingen, en aanwezigheid van nauwe zijverwanten, in voorkomend geval samen met vader en moeder, die de tweede erfrechtelijke orde vormen;

3°afwezigheid van afstammelingen en van nauwe zijverwanten, en aanwezigheid van ascendenten die de derde erfrechtelijke orde vormen, met toepassing, in voorkomend geval, van de regels van de kloving;

4°afwezigheid van afstammelingen, van nauwe zijverwanten en van ascendenten, en aanwezigheid van gewone zijverwanten die de vierde erfrechtelijke orde vormen, met toepassing van de regels van de kloving, en met behoud van de toepassing van artikel 4.30, eerste lid.

Art. 4.11

Lijnen en graden

§ 1.De erfopvolging is in rechte lijn wanneer ze plaatsvindt tussen personen die van elkaar afstammen. Men onderscheidt in die lijn de rechte neerdalende lijn en de rechte opgaande lijn. De eerste verbindt de stamouder met de personen die van hem afstammen; de laatste verbindt een persoon met degenen van wie hij afstamt.

§ 2.De erfopvolging is in de zijlijn, wanneer ze plaats vindt tussen personen die niet van elkaar, maar van een gemene stamouder afstammen. Broers en zussen en hun afstammelingen worden ook de nauwe zijverwanten genoemd. De overige verwanten in de zijlijn worden de gewone zijverwanten genoemd.

§ 3.De afstand in verwantschap wordt bepaald door het aantal generaties. Elke generatie wordt een graad genoemd.

§ 4.In de rechte lijn zijn er zoveel graden als er generaties zijn tussen de personen in die lijn.

Zo staat het kind in de eerste graad tegenover zijn vader of zijn moeder, en staat het kleinkind in de tweede graad. Dit geldt ook wederkerig voor de vader of de moeder tegenover hun kind, en voor de grootvader of de grootmoeder tegenover hun kleinkinderen.

§ 5.In de zijlijn worden de graden bepaald door het aantal generaties, te rekenen van een van de verwanten tot aan de gemene stamouder, en vervolgens van deze stamouder tot aan de andere verwant.

Zo staan broer en zus tegenover elkaar in de tweede graad; oom of tante tegenover neef of nicht, in de derde graad; volle neven en nichten onderling, in de vierde graad; en zo verder.

§ 6.Verwanten van verder dan de vierde graad erven niet, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden.

Art. 4.12

Erfrechtelijke roeping na gewone adoptie

In geval van gewone adoptie behouden de geadopteerde en zijn afstammelingen al hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie.

Ze verkrijgen op de nalatenschap van de adoptant of adoptanten dezelfde rechten als een kind of zijn afstammelingen daarop zouden hebben.

Ze verkrijgen geen enkel recht op de nalatenschap van de verwanten van de adoptant of adoptanten.