§ 1.Wanneer de toezichthouder niet als consoliderende toezichthouder is aangewezen met toepassing van artikel 171, werken de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen, nauw samen en plegen ze overleg om beslissingen te nemen over de financiële holding of de gemengde financiële holding in de vorm van gezamenlijke beslissingen, waaronder de beslissingen als bedoeld in de artikelen 212/1, 212/2 en 212/7. Hiertoe moeten de verwijzingen naar de toezichthouder in de artikelen 212/3, 212/4, eerste lid en, onverminderd artikel 171/1, 212/7, worden gelezen als verwijzingen naar de toezichthouder en de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen en de verwijzingen in de artikelen 212/4, tweede en derde lid en 212/6 als verwijzingen naar de consoliderende toezichthouder die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU is aangewezen.
§ 2.Zodra de beoordeling van de situatie van de financiële holding of de gemengde financiële holding en de voorgenomen beslissing zijn meegedeeld door de consoliderende toezichthouder, in voorkomend geval met toepassing van de bijzondere modaliteiten die eventueel zijn overeengekomen tussen de betrokken autoriteiten om het overleg te vergemakkelijken, stellen de twee autoriteiten alles in het werk om tot een gezamenlijke beslissing als bedoeld in paragraaf 1 te komen binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst van de beoordeling die door de consoliderende toezichthouder is opgesteld.
Als er geen overeenstemming wordt bereikt die het mogelijk maakt een gezamenlijk beslissing vast te stellen, nemen de betrokken autoriteiten geen beslissing en leggen zij de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening nr. 1093/2010 aan de EBA voor.
De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijke beslissing in overeenstemming met de beslissing van de EBA.
De zaak kan niet meer aan de EBA worden voorgelegd na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode van twee maanden.
§ 3.Indien noch de toezichthouder, noch de consoliderende toezichthouder de coördinator is die in overeenstemming met artikel 10 van Richtlijn 2002/87/EG is aangewezen, is bovendien de instemming van de coördinator vereist voor het nemen van de in dit artikel bedoelde beslissingen.
Geschillen worden al naargelang aan de EBA of aan de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen voorgelegd.
Overeenkomstig deze paragraaf genomen beslissingen laten de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2002/87/EG of Richtlijn 2009/138/EG onverlet.