Alle wetboeken › WER

Boek XV - Rechtshandhaving › TITEL 1 - De uitoefening van toezicht en de opsporing en vaststelling van inbreuken › HOOFDSTUK 2 - Bijzondere bevoegdheden...

Afdeling 2/1 - De bijzondere bevoegdheden voor de toepassing van titels 4 en 5 van boek VIII

XV.18/5–XV.18/7

Art. XV.18/5

§ 1.Elke persoon kan kosteloos een klacht indienen met betrekking tot de toegankelijkheid van producten en diensten bij de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2. De klacht wordt per brief of via elektronische weg ingediend.

De klacht bevat de volgende elementen:

1°de identiteit van de klager en nadere gegevens die een snel contact en een rechtstreekse en effectieve communicatie met de klager mogelijk maken;

2°een uiteenzetting van de feiten;

3°alle stukken die de klager noodzakelijk acht.

§ 2.Indien de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 een klacht als ontvankelijk beschouwen, geven zij de klager daarvan schriftelijk kennis binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht.

§ 3.De ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 weigeren de behandeling van een klacht en verklaren de klacht onontvankelijk:

1°wanneer deze kennelijk ongegrond is;

2°wanneer de inhoud betrekking heeft op feiten die zich voordeden vóór 28 juni 2025 of vóór 28 juni 2030 ingeval de dienst wordt verstrekt door een micro-onderneming;

3°wanneer deze identiek is aan een eerder door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 behandelde klacht en geen nieuwe gegevens bevat in vergelijking met deze eerdere klacht;

4°wanneer de feiten zijn verjaard.

§ 4.Indien de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 een klacht niet behandelen of de behandeling ervan niet voortzetten, geven zij de klager daarvan schriftelijk kennis, met vermelding van de redenen, binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht.

Art. XV.18/6

§ 1.De persoon met een handicap heeft het recht om een orgaan, een organisatie of een vereniging zonder winstoogmerk de opdracht te geven een klacht namens hem in te dienen.

§ 2.Om een klacht te kunnen indienen overeenkomstig paragraaf 1, moet een orgaan, een organisatie of een vereniging zonder winstoogmerk:

1°op geldige wijze zijn opgericht in overeenstemming met het Belgische recht;

2°rechtspersoonlijkheid bezitten;

3°statutaire doelstellingen van openbaar belang hebben;

4°actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van personen met een handicap.

§ 3.Het orgaan, de organisatie of vereniging zonder winstoogmerk bewijst door de overlegging van haar activiteitenverslagen of van enig ander stuk, dat is voldaan aan de in paragraaf 2, 4°, bedoelde voorwaarde.

Art. XV.18/7

§ 1.Wanneer de ambtenaren bedoeld in artikel XV.2 een van de volgende feiten vaststellen, verlangen ze van de betrokken marktdeelnemer dat deze een einde aan de non-conformiteit maakt:

1°de CE-markering is aangebracht in strijd met artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93, met de bepalingen van boek VIII, titel 4, of met de besluiten genomen ter uitvoering ervan;

2°de CE-markering is niet aangebracht;

3°er is geen EU-conformiteitsverklaring opgesteld;

4°de EU-conformiteitsverklaring is niet correct opgesteld;

5°de technische documentatie is niet beschikbaar of onvolledig;

6°andere gegevens bedoeld in boek VIII of in besluiten genomen ter uitvoering ervan ontbreken, zijn onjuist of zijn onvolledig;

7°er wordt niet voldaan aan een andere administratieve verplichting bepaald in boek VIII of in besluiten genomen ter uitvoering ervan.

§ 2.Indien de in paragraaf 1 bedoelde non-conformiteit voortduurt, kan de minister of zijn gemachtigde alle passende maatregelen nemen om het op de markt aanbieden van het product te beperken of te verbieden, of om ervoor te zorgen dat het product uit de handel wordt genomen.