Alle wetboeken › WER

Boek XI - Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen

Titel 10 - Aspecten van gerechtelijk recht van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten en bedrijfsgeheimen

XI.337–XI.343

Art. XI.337

§ 1.Onverminderd de bevoegdheid van het eengemaakt octrooigerecht bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht, neemt de ondernemingsrechtbank te Brussel... kennis van alle vorderingen inzake octrooien of aanvullende beschermingscertificaten, ongeacht het bedrag van de vordering.

§ 2.Is van rechtswege nietig elke met de bepalingen van de vorige paragrafen strijdige overeenkomst.

De bepalingen van dit artikel staan nochtans niet in de weg dat de geschillen betreffende het houderschap van een octrooiaanvraag of van een octrooi, de geldigheid of de inbreuk op een octrooi of betreffende de vaststelling van de in artikel XI.35 bedoelde vergoeding alsook die welke de licenties op octrooien betreffen, andere dan de gedwongen licenties, voor de scheidsgerechten gebracht worden.

§ 3.De bepalingen van paragrafen 1 tot en met 2 zijn mutatis mutandis van toepassing op aanvullende beschermingscertificaten.

Art. XI.338

§ 1.Elk exploot van betekening van een beslissing tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat op basis van artikel XI.57, wordt door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder onmiddellijk in afschrift medegedeeld aan de Dienst.

§ 2.De Dienst kan vragen aan de griffier van de ondernemingsrechtbank te Brussel of tegen de beslissing nog verzet, hoger beroep of voorziening in cassatie mogelijk is.

Als de procureur-generaal bevestigt dat tegen de beslissing geen verzet, hoger beroep en voorziening in cassatie meer mogelijk is, schrijft de Dienst binnen een maand na ontvangst van deze bevestiging, het beschikkend gedeelte van deze beslissing over in het octrooidossier en wordt melding gemaakt van de beschikking in het register.

Art. XI.338/1

De ministers die bevoegd zijn voor intellectuele eigendom respectievelijk justitie, worden gemachtigd een verzoek tot oprichting van een lokale afdeling in België te richten aan de voorzitter van het administratief comité overeenkomstig artikel 7(3) van de Overeenkomst van 19 februari 2013 betreffende het eengemaakt octrooigerecht, waarmee werd ingestemd bij de wet van 27 mei 2014.

Deze lokale afdeling heeft haar zetel te Brussel.

Art. XI.338/2

In toepassing van artikel 49 van de voornoemde Overeenkomst, zijn de proceduretalen van de lokale afdeling, het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels.

Art. XI.338/3

Personeel van het departement van de minister bevoegd voor Economie kan door de Koning deeltijds of voltijds ter beschikking gesteld worden van het Eengemaakt Octrooigerecht.

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels van die terbeschikkingstelling.

Art. XI.339

De ondernemingsrechtbanken nemen... kennis van alle vorderingen aangaande de toepassing van titel 3, ongeacht het bedrag van de vordering.

Is het geschil ontstaan in de loop van het administratieve onderzoek van de aanvraag voor de verlening van het kwekersrecht, dan kan de Dienst op vordering van een partij in het rechtsgeding, de verlening van het recht opschorten tot de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

Art. XI.340

<Opgeheven bij W 2016-06-29/01, art. 34, 036; Inwerkingtreding: 16-07-2016>

Art. XI.341

<Opgeheven bij W 2016-06-29/01, art. 34, 036; Inwerkingtreding: 16-07-2016>

Art. XI.342

§ 1.De ondernemingsrechtbanken nemen... kennis van alle vorderingen aangaande de toepassing van titel 8, ongeacht het bedrag van de vordering.

§ 2.Tot kennisneming van de vordering bedoeld in paragraaf 1 is alleen bevoegd:

1°de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft in het rechtsgebied waarvan de inbreuk is begaan of, naar keuze van de eiser, de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarvan de verweerder of een van de verweerders zijn woon- of verblijfplaats heeft;

2°de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarvan de eiser zijn woon- of verblijfplaats heeft, ingeval de verweerder, of een van de verweerders, in het Rijk geen woon- of verblijfplaats heeft.

§ 3.Van rechtswege is nietig elke overeenkomst die in strijd is met het bepaalde in de paragrafen 1 en 2, van dit artikel, en die dagtekent van vóór of van na het ontstaan van het geschil.

De bepaling van het eerste lid staat nochtans niet in de weg dat de geschillen bedoeld in dit artikel voor een scheidsgerecht worden gebracht. In afwijking van het bepaalde in artikel 630, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen de partijen vrij de plaats waar het geding voor scheidslieden wordt gevoerd.

Art. XI.342/1

§ 1.Onverminderd de bevoegdheden van de arbeidsrechtbank, neemt de ondernemingsrechtbank, zelfs wanneer de partijen geen ondernemingen zijn, kennis van alle vorderingen inzake het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, ongeacht het bedrag van de vordering.

§ 2.Tot kennisneming van de vordering bedoeld in paragraaf 1 is alleen bevoegd:

1°de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft in het rechtsgebied waarin het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim plaatsvond of, naar keuze van de eiser, de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarin de verweerder of een van de verweerders zijn woon- of verblijfplaats heeft;

2°de rechtbank die is gevestigd waar het hof van beroep zijn zetel heeft, in het rechtsgebied waarin de eiser zijn woon- of verblijfplaats heeft, ingeval de verweerder, of een van de verweerders, in het Rijk geen woon- of verblijfplaats heeft.

§ 3.Is van rechtswege nietig elke met de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 strijdige overeenkomst.

De bepalingen van dit artikel staan nochtans niet in de weg dat de geschillen betreffende het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, voor de scheidsgerechten gebracht worden.

Art. XI.342/2

Onverminderd artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel XVII.5, verjaren vorderingen die betrekking hebben op bedrijfsgeheimen na verloop van 5 jaar.

Deze verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag die volgt op de dag waarop de eiser kennis heeft van:

1°de gedraging en het feit dat deze gedraging een onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim vormt; en

2°de identiteit van de inbreukmaker.

De in het eerste lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken zich heeft voorgedaan.

Art. XI.342/3

§ 1.De rechter kan in het kader van gerechtelijke procedures wegens het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, op verzoek van de eiser, bevelen dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de inbreukmaker en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de inbreukmaker.

De in het eerste lid bedoelde maatregelen nemen de bepalingen betreffende de vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen in acht, zoals bepaald in artikel 871bis van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 2.De rechter houdt, bij de beslissing over een bevel tot een in paragraaf 1 bedoelde maatregel en bij de beoordeling van de evenredigheid ervan, in voorkomend geval rekening met de waarde van het bedrijfsgeheim, de handelswijze van de inbreukmaker bij het verkrijgen, het gebruiken of het openbaar maken van het bedrijfsgeheim, de effecten van het onrechtmatig gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim, alsmede met de kans dat de inbreukmaker het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier blijft gebruiken of openbaar maken.

De rechter houdt tevens rekening met de vraag of de informatie over de inbreukmaker kan leiden tot het identificeren van een natuurlijk persoon en, indien dit het geval is, of de bekendmaking van deze informatie gerechtvaardigd is, met name in het licht van de mogelijke schade die een dergelijke maatregel kan veroorzaken voor de persoonlijke levenssfeer en reputatie van de inbreukmaker.

Art. XI.343

...

Dezelfde verplichting geldt voor de scheidsgerechten.