Alle wetboeken › WER

BOEK VII - BETALINGS- EN KREDIETDIENSTEN. › TITEL 6/1 - Waardepapieren. › HOOFDSTUK 5 - De cheque.

Afdeling 3 - Aval

VII.216/125–VII.216/127

Art. VII.216/125

De betaling van de cheque kan zowel voor zijn geheel bedrag als voor een gedeelte daarvan door een borgtocht (aval) worden verzekerd.

Deze borgtocht kan door een derde, behalve door de betrokkene, of zelfs door iemand wiens handtekening op de cheque voorkomt, worden gegeven.

Art. VII.216/126

Het aval wordt op de cheque of op een verlengstuk gesteld.

Het kan eveneens bij afzonderlijke akte worden gegeven op voorwaarde dat de plaats waar het is tot stand gekomen, erop vermeld wordt.

Het wordt uitgedrukt door de woorden "goed voor aval", of door enige andere daarmee gelijkstaande uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.

De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de cheque, geldt als aval, behalve wanneer de handtekening die is van de trekker.

In het aval moet worden vermeld voor wie het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.

Art. VII.216/127

De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene voor wie het aval is gegeven.

Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.

Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten welke krachtens de cheque kunnen worden uitgeoefend tegen degene voor wie het aval is gegeven en tegen degenen die tegenover deze laatste krachtens de cheque verbonden zijn.