Alle wetboeken › V.T.Sv.

HOOFDSTUK III - PREJUDICIELE GESCHILLEN.

15–19

Art. 15

Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, beslist de strafrechter over de geschillen van burgerlijk recht die incidenteel voor hem worden opgeworpen naar aanleiding van de misdrijven die bij hem aanhangig zijn.

Art. 16

Wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan ontkend of waarvan de uitlegging betwist wordt, gedraagt de strafrechter zich naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan.

Indien de toelaatbaarheid van getuigenbewijs afhangt van een geschrift dat ontkend wordt door hem tegen wie het is aangevoerd, wordt een onderzoek naar de echtheid ervan vóór de bevoegde burgerlijke rechter bevolen.

Art. 17

Indien de beklaagde zich beroept op een recht van eigendom of een ander onroerend zakelijk recht, beslist de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, over het tussengeschil met inachtneming van de volgende regels:

De prejudiciële exceptie wordt slechts aangenomen voor zover zij gegrond is op een deugdelijk schijnende titel of op welbepaalde feiten van bezit;

De overgelegde titels of de gestelde feiten moeten elk karakter van misdrijf ontnemen aan het feit waarop de vervolging berust.

Art. 18

De rechtbank is bevoegd om naar gelang van de omstandigheden aan de beklaagde de verplichting om de zaak voor de burgerlijke rechter te brengen, niet op te leggen.

Bij gebreke aan die vrijstelling, bepaalt het vonnis een termijn van ten hoogste twee maanden, waarbinnen de partij die het prejudicieel geschil heeft opgeworpen, de zaak bij de bevoegde rechter moet aanhangig maken en moet bewijzen dat zij het nodige heeft gedaan; anders wordt de behandeling voortgezet.

Art. 19

De burgerlijke rechter wijst, in geval van betwisting, de partij aan, die ten opzichte van de te leveren bewijzen als eiser moet worden beschouwd.