Alle wetboeken › Sv.

BOEK II — TITEL IV Enkele rechtsplegingen van bijzondere aard (art. 448–524septies) › TITEL IV - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD. › HOOFDSTUK III DE VERVOLGING VAN EN HET ONDERZOEK NAAR MISDRIJVEN INZAKE MAGISTRATEN

Afdeling 2 - Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

484–485

Art. 484

De ambtsverrichtingen die in het gemeen recht tot de bevoegdheid van de procureur des Konings behoren, worden uitgeoefend door de bevoegde procureur-generaal bij het hof van beroep of de door hem hiertoe aangewezen magistraat van het openbaar ministerie. De ambtsverrichtingen die in het gemeen recht tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter behoren worden door de eerste voorzitter van dit hof, of door de door hem hiertoe aangewezen raadsheer in het hof van beroep of rechter in de rechtbank van eerste aanleg van zijn rechtsgebied uitgeoefend.

Op het hele grondgebied van het Rijk stellen zij of laten zij alle opsporings- of onderzoekhandelingen stellen die tot hun respectieve bevoegdheden behoren. In voorkomend geval brengen zij de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de handeling gesteld moet worden hiervan op de hoogte. Deze procureur-generaal licht op zijn beurt de procureur des Konings van het arrondissement waar de handeling gesteld moet worden in.

De bevoegdheden die in het gemeen recht tot de raadkamer behoren worden door de kamer van inbeschuldigingstelling uitgeoefend.

Art. 485

Bij ontdekking op heterdaad gelden de door dit Wetboek en de bijzondere wetten bepaalde uitzonderingen op het gemeen recht.

Iedere officier van gerechtelijke politie kan een misdrijf ontdekt op heterdaad vaststellen en de nodige maatregelen nemen tot op het moment waarop de in artikel 484 vermelde magistraten optreden.