§ 1.Tot opschorting kan worden besloten door de raadkamer op het ogenblik dat zij zich dient uit te spreken op het verslag van de onderzoeksrechter in de vorm en onder de voorwaarden bepaald in artikel 127.
In geval van rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij, kan het openbaar ministerie, indien het oordeelt dat er aanleiding tot opschorting kan bestaan, de onderzoeksrechter vorderen het instellen van een onderzoek te gelasten. Van die vordering wordt kennis gegeven aan de griffier van de rechtbank waarvoor de rechtstreekse dagvaarding is geschied, aan de dagvaardende partij, aan de gedaagde en aan hun raadsmannen. Zij heeft tot gevolg dat de zaak aan de rechtbank wordt onttrokken.
Wanneer een vordering tot opschorting met toepassing van het eerste en tweede lid wordt aangebracht bij de rechter die de raadkamer voorzit, bepaalt deze de plaats, de dag en het uur van de verschijning overeenkomstig, artikel 127, doet hij deze vaststelling en de griffier geeft bij aangetekende zending bericht aan de burgerlijke partij of de eiser en aan de verdachte of de gedaagde en aan hun raadsmannen, indien er aangewezen zijn in het geding, op zijn minst tien dagen voor de verschijning. Gedurende deze termijn wordt het dossier op de griffie ter beschikking van de partijen gehouden.
Tot de opschorting kan ook door de kamer van inbeschuldigingstelling worden besloten in de gevallen bepaald bij het eerste lid van artikel 230 en overeenkomstig de nadere regels voorgeschreven in de artikelen 219 en 223 tot 225.
Is het onderzoeksgerecht van oordeel dat er geen reden bestaat om de opschorting uit te spreken, dan verleent het een beschikking van buitenvervolgingstelling of een beschikking van verwijzing naar het bevoegde gerecht.
§ 2.De procureur des Konings en de verdachte kunnen tegen de beschikking van de raadkamer waarbij de opschorting wordt uitgesproken, in beroep gaan, om reden dat aan de voorwaarden tot verlening van de opschorting niet voldaan is.
Het beroep, dat binnen vierentwintig uren wordt aangetekend, wordt voor de kamer van inbeschuldigingstelling gebracht.
§ 3.De raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de verdachte, bevelen dat er getuigen zullen worden gehoord.
§ 4.De kamer van inbeschuldigingstelling neemt kennis van het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer tot regeling van de burgerlijke belangen. Dat hoger beroep wordt ingesteld binnen dezelfde termijnen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde vormen als hoger beroep in correctionele zaken.