Alle wetboeken › Oud BW

BOEK III — TITELS III TOT V Wijze van eigendomsverkrijging (art. 1101–1581) › TITEL III - CONTRACTEN OF VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST IN HET ALGEMEEN.

§ II

1366–1369

Art. 1366

opgeheven

De rechter kan aan een van de partijen de eed opleggen, hetzij om de beslissing van de zaak daarvan te doen afhangen, hetzij alleen om het bedrag van de veroordeling te bepalen.

Opgeheven met ingang van 1 november 2020 door de wet 2019-04-13/28, die boek 8 (Bewijs) in het nieuwe Burgerlijk Wetboek invoerde. Hierboven staat de tekst zoals die gold tot en met 31 oktober 2020. Of hij op een bepaalde situatie nog van toepassing is, hangt af van het overgangsrecht van dat boek.

Art. 1367

opgeheven

De rechter kan de eed, hetzij omtrent de eis, hetzij omtrent de exceptie die tegen de eis wordt opgeworpen, alleen dan ambtshalve opleggen, wanneer aan de twee volgende voorwaarden voldaan is:

1°Dat de eis of de exceptie niet volledig bewezen is;

2°Dat de eis of de exceptie niet geheel van bewijs ontbloot is.

Buiten deze twee gevallen moet de rechter de eis zonder meer toewijzen of ontzeggen.

Opgeheven met ingang van 1 november 2020 door de wet 2019-04-13/28, die boek 8 (Bewijs) in het nieuwe Burgerlijk Wetboek invoerde. Hierboven staat de tekst zoals die gold tot en met 31 oktober 2020. Of hij op een bepaalde situatie nog van toepassing is, hangt af van het overgangsrecht van dat boek.

Art. 1368

opgeheven

De eed die de rechter ambtshalve oplegt aan een van de partijen, kan door deze niet aan de andere worden teruggewezen.

Opgeheven met ingang van 1 november 2020 door de wet 2019-04-13/28, die boek 8 (Bewijs) in het nieuwe Burgerlijk Wetboek invoerde. Hierboven staat de tekst zoals die gold tot en met 31 oktober 2020. Of hij op een bepaalde situatie nog van toepassing is, hangt af van het overgangsrecht van dat boek.

Art. 1369

opgeheven

De eed omtrent de waarde van de gevorderde zaak kan door de rechter aan de eiser niet worden opgelegd, dan wanneer het onmogelijk is die waarde op andere wijze vast te stellen.

Zelfs moet de rechter in dat geval de som bepalen, ten belope waarvan de eiser op zijn eed zal worden geloofd.

Opgeheven met ingang van 1 november 2020 door de wet 2019-04-13/28, die boek 8 (Bewijs) in het nieuwe Burgerlijk Wetboek invoerde. Hierboven staat de tekst zoals die gold tot en met 31 oktober 2020. Of hij op een bepaalde situatie nog van toepassing is, hangt af van het overgangsrecht van dat boek.