De familierechtbank kan aan de pleegvoogdij een einde maken op verzoek:
1°hetzij van de pleegvoogd;
2°hetzij van degenen die overeenkomstig artikel 475bis met de pleegvoogdij hebben ingestemd of van degenen die het kind hebben erkend of gewettigd na de totstandkoming van de pleegvoogdij;
3°hetzij van de procureur des Konings.
De familierechtbank behandelt het verzoek op de wijze omschreven in artikel 475ter, derde lid.
Indien zij aan de pleegvoogdij een einde maakt, kan zij desgevraagd, na het advies van de personen bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, te hebben ingewonnen en na de procureur des Konings te hebben gehoord, de verplichting van de pleegvoogd om het kind te onderhouden en het de mogelijkheid te bieden in zijn levensonderhoud te voorzien, beperken of opheffen.