Alle wetboeken › Oud BW

INLEIDENDE TITEL EN BOEK I Personen (art. 1–515) › BOEK I - PERSONEN. › TITEL VII - (...) AFSTAMMING.

HOOFDSTUK 6 - VORDERING TOT UITKERING VOOR LEVENSONDERHOUD, OPVOEDING EN PASSENDE OPLEIDING.

336–342

Art. 336

Het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, kan van degene die gedurende het wettelijke tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, een onderhoudsbijdrage vorderen op grond van artikel 203, § 1.

Art. 337

§ 1.De vordering komt aan het kind persoonlijk toe. (...).

§ 2.De vordering gaat niet over op de erfgenamen van het kind. Deze kunnen echter de begonnen rechtsvordering voortzetten.

§ 3.Na het overlijden van de persoon die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met de moeder gemeenschap heeft gehad, kan de vordering worden voortgezet maar niet meer ingesteld tegen zijn erfgenamen.

Art. 338

§ 1.De eiser biedt de familierechtbank een verzoekschrift aan, bevattende een beknopte opgave van de feiten en vergezeld van de bewijsstukken, zo die er zijn.

In voorkomend geval verwijst de rechtbank de vordering naar de kamer voor minnelijke schikking, overeenkomstig artikel 734/1, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek.

§ 2.Indien de verweerder het bestaan heeft erkend van de gemeenschap die tot grondslag dient van de vordering en indien de partijen het eens zijn over het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud, maakt de rechtbank daarvan proces-verbaal op.

....

§ 3....

Art. 338bis

De vordering wordt afgewezen indien de verweerder door alle wettelijke middelen het bewijs levert dat hij de vader niet is.

Art. 339bis

De last van de uitkering gaat over op de nalatenschap van de uitkeringsplichtige overeenkomstig artikel 205bis, §§ 3, 4 en 6.

De uitkering kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 209.

Art. 340

De uitkering is niet meer verschuldigd zodra de afstamming van vaderszijde vaststaat ten aanzien van een ander dan de uitkeringsplichtige of indien het kind geadopteerd wordt.

Art. 341

. Een vonnis waarbij de verweerder krachtens artikel 336 wordt veroordeeld tot het betalen van een uitkering, heeft dezelfde gevolgen als de vaststelling van het vaderschap, wat de huwelijksbeletselen betreft.

Art. 342

(Opgeheven)