Alle wetboeken › Hypotheekwet

HOOFDSTUK II _ Voorrechten.

12–18

Art. 12

(2095). Voorrecht is een recht dat uit hoofde van de bijzondere aard der schuldvordering aan een schuldeiser toekomt en hem voorrang verleent boven de andere schuldeisers, zelfs de hypothecaire.

Art. 13

(2096). Tussen de bevoorrechte schuldeisers wordt de voorrang geregeld naar de verschillende aard van de voorrechten.

Art. 14

(2097). Bevoorrechte schuldeisers die in dezelfde rang zijn, worden naar evenredigheid van hun vordering betaald.

Art. 15

(2098). Het voorrecht, verbonden aan de rechten van de Staatskas, en de orde waarin het wordt uitgeoefend, worden geregeld door de wetten daartoe betrekkelijk.

De Staatskas kan echter geen voorrecht bekomen ten nadele van vroeger door derden verkregen rechten.

Art. 16

(2099). Voorrechten kunnen bestaan op roerende goederen of op onroerende goederen.

Art. 17

De gerechtskosten zijn bevoorrecht op de roerende en de onroerende goederen, ten aanzien van alle schuldeisers in wier belang zij zijn gemaakt.

Art. 18

(2100). De voorrechten zijn ofwel algemeen, ofwel bijzonder met betrekking tot bepaalde roerende goederen.