Alle wetboeken › BW

BOEK 4 Nalatenschappen, schenkingen en testamenten › Titel 1 Nalatenschappen en wettelijke erfopvolging

Hoofdstuk 2 Zuivere aanvaarding van de nalatenschap

4.41–4.43

Art. 4.41

Uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding

§ 1.De zuivere aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden.

§ 2.Zij geschiedt uitdrukkelijk, wanneer de erfgerechtigde in een authentieke of een onderhandse akte de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt.

§ 3.Zij geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgerechtigde een daad verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.

§ 4.Daden die alleen dienen tot bewaring, toezicht of voorlopig beheer, zijn geen daden van aanvaarding van de nalatenschap, indien daarbij de titel of de hoedanigheid van erfgenaam niet is aangenomen.

Indien echter in de nalatenschap zaken aanwezig zijn die kunnen bederven, of waarvan de bewaring grote kosten vergt, kan de erfgerechtigde zonder dat men daaruit een aanvaarding van zijn zijde mag afleiden, zich door de rechter doen machtigen om die zaken te verkopen. De bepalingen van boek IV, hoofdstuk V, van het Gerechtelijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 4.42

Overdracht die aanvaarding inhoudt

De schenking, de verkoop of de overdracht van zijn erfrecht door een van de erfgenamen gedaan, hetzij aan een vreemde persoon, hetzij aan al zijn mede-erfgenamen, hetzij aan enkelen onder hen, heeft voor hem aanvaarding van de nalatenschap ten gevolge.

Hetzelfde geldt:

1°voor de verwerping, zelfs om niet, door een van de erfgenamen gedaan ten voordele van een of meer van zijn mede-erfgenamen;

2°voor de verwerping door hem gedaan, zelfs ten voordele van al zijn mede-erfgenamen zonder onderscheid, wanneer hij voor de verwerping een prijs ontvangt.

Art. 4.43

Bedrog of benadeling bij aanvaarding

Een meerderjarige kan tegen de door hem uitdrukkelijk of stilzwijgend gedane aanvaarding van een nalatenschap slechts opkomen ingeval die aanvaarding het gevolg mocht zijn geweest van een jegens hem gepleegd bedrog.

Hij kan er nooit tegen opkomen onder voorwendsel van benadeling, tenzij de nalatenschap mocht zijn teniet gedaan of met meer dan de helft verminderd, door de ontdekking van een testament dat op het ogenblik van de aanvaarding onbekend was.