Alle wetboeken › BW

BOEK 2 Personen, familie en relatievermogensrecht › Titel 3 Relatievermogensrecht

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen

2.3.12–2.3.15

Art. 2.3.12

Wettelijk stelsel als gemeen recht

Behoudens bijzondere overeenkomsten vormen de regels van het wettelijk stelsel, bepaald in hoofdstuk 3 van deze ondertitel, het gemeen recht.

Indien de echtgenoten vooraf geen huwelijksstelsel hebben gekozen, heeft het wettelijk stelsel uitwerking vanaf de voltrekking van het huwelijk, niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst.

Art. 2.3.13

Preferentiële toewijzing bij overlijden

Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden van een van de echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is:

1°een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient;

2°het aldaar aanwezige huisraad;

3°de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf.

Art. 2.3.14

Preferentiële toewijzing bij echtscheiding

§ 1.Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk van de echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 2.3.13 vragen.

§ 2.De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen.

Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 146, tweede lid, vijfde streepje, 201, eerste lid, 1° tot 3°, 206 tot 208, 210, 211 en 299 van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 101, 146, tweede lid, vijfde streepje, en 209 van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader of deelnemer schuldig werd bevonden of indien de strafvordering tegen de andere echtgenoot is vervallen na toepassing van de in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering bedoelde procedure.

Art. 2.3.15

Heling

De echtgenoot die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang van de gemeenschap, van de tussen echtgenoten bestaande onverdeeldheden, of, in geval van een stelsel van scheiding van goederen met beding van verrekening, van de verrekenmassa, om hieruit voor zichzelf, ten nadele van de andere echtgenoot, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling.

De echtgenoot die schuldig is aan heling verliest zijn aandeel in de geheelde goederen of waarden of wordt, desgevallend, gesanctioneerd ten belope van de geheelde goederen of waarden bij de berekening van de verrekenvordering.

Deze sanctie kan niet worden opgelegd aan de echtgenoot die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet.