Preferentiële toewijzing bij echtscheiding
§ 1.Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtscheiding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, door de scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van goederen, kan elk van de echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 2.3.13 vragen.
§ 2.De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal moeten betalen.
Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit bedoeld in de artikelen 146, tweede lid, vijfde streepje, 201, eerste lid, 1° tot 3°, 206 tot 208, 210, 211 en 299 van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van een feit bedoeld in de artikelen 101, 146, tweede lid, vijfde streepje, en 209 van hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader of deelnemer schuldig werd bevonden of indien de strafvordering tegen de andere echtgenoot is vervallen na toepassing van de in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering bedoelde procedure.