Alle wetboeken › WER

Boek XV - Rechtshandhaving › TITEL 1 - De uitoefening van toezicht en de opsporing en vaststelling van inbreuken › HOOFDSTUK 2 - Bijzondere bevoegdheden...

Afdeling 10 Certificering van de cyberbeveiliging.

XV.30/3–XV.30/4

Art. XV.30/3

Op het gebied van vrijwillige cyberbeveiligingscertificering kan de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde opdrachten bedoeld in de hoofdstukken 5 en 6, met uitzondering van artikel 21 en 22, van de wet van 20 juli 2022 inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot aanwijzing van een nationale cyberbeveiligingscertificeringsautoriteit, aan bepaalde ambtenaren van de FOD Economie toevertrouwen, op voorwaarde dat de FOD Economie over de daarvoor vereiste expertise beschikt. In dat geval vraagt de Koning het advies van en overlegt Hij vooraf met de autoriteit bedoeld in artikel 5, § 1, van voornoemde wet. De FOD Economie vervult die toezichtsopdrachten enkel ten aanzien van producten of entiteiten die gereglementeerd zijn door dit Wetboek, de uitvoeringsbesluiten ervan of verordeningen van de Europese Unie betreffende aangelegenheden die, overeenkomstig de boeken VI, VII, IX en XII van dit Wetboek, tot de regelgevende bevoegdheid van de Koning behoren.

Art. XV.30/4

§ 1.Met betrekking tot de Europese cyberbeveiligingscertificering die verplicht is op grond van de Europese of nationale wetgeving, na advies van de nationale cyberbeveiligingscertificeringsautoriteit, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde toezichtsopdrachten in verband met de Cyberbeveiligingsverordening of in verband met de wet van 20 juli 2022 inzake de certificering van de cyberbeveiliging van informatie- en communicatietechnologie en tot aanwijzing van een nationale cyberbeveiligingscertificeringsautoriteit, toevertrouwen aan bepaalde ambtenaren van de FOD Economie, op voorwaarde dat die laatste over de voor deze doeleinden vereiste expertise beschikt.

§ 2.De in de eerste paragraaf bedoelde toezichtsopdrachten, met inbegrip van de opsporing, vaststelling, vervolging en bestraffing van inbreuken, worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van dit boek.