Alle wetboeken › WER

Boek VI Marktpraktijken en consumentenbescherming › TITEL 2 - Informatie van de markt

HOOFDSTUK 7 - Diverse bepalingen

VI.34–VI.36

Art. VI.34

Onverminderd de toepassing van artikel VI.97, 1° en 2°, indien buiten de verkoopinrichting van de onderneming een in de tijd begrensde reclame voor één of meerdere goederen wordt aangekondigd met vermelding van de prijs ervan, is de onderneming die niet meer over de betrokken goederen beschikt, verplicht aan de consument, voor elk goed van meer dan 25 euro en waarvan de voorraad uitgeput is, een titel af te geven die recht geeft op de aankoop van dat goed, en wel binnen een redelijke termijn en volgens de bewoordingen van het aanbod.

De in het eerste lid bepaalde verplichting geldt evenwel niet wanneer de onderneming:

a)niet meer onder dezelfde voorwaarden een nieuwe voorraad van de betrokken goederen kan aanleggen; of

b)de betrokken goederen na uitputting van haar voorraad niet langer wenst te koop aan te bieden en zij dat ook duidelijk maakt in de reclame; of

c)het aantal voorradige goederen voor elk van de verkoopinrichtingen waarvoor de reclame werd gemaakt, in de desbetreffende reclame heeft vermeld.

De Koning kan het bedrag vermeld in het eerste lid aanpassen.

Art. VI.35

§ 1.Onverminderd de bevoegdheden die Hem krachtens een andere wetsbepaling zijn toegekend, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, voor de goederen of diensten of de categorieën van goederen of diensten die Hij bepaalt:

1°de reclame verbieden of beperken, teneinde een betere bescherming van de veiligheid van de consument en van het leefmilieu te waarborgen;

2°de minimale vermeldingen van de reclame vaststellen, teneinde een betere voorlichting van de consument te verzekeren.

§ 2.Alvorens een besluit ter uitvoering van paragraaf 1 voor te stellen, raadpleegt de minister de Raad voor het Verbruik en de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO. Wanneer het besluit betrekking heeft op beoefenaars van een vrij beroep worden ook de interprofessionele organisaties van de betrokken beoefenaars van een vrij beroep die niet vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO geraadpleegd. De minister bepaalt de redelijke termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist.

Art. VI.36

<Opgeheven bij KB 2017-12-13/14, art. 12,2°, 056; Inwerkingtreding: 01-01-2018>