Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte die in die hoedanigheid werd verhoord overeenkomstig artikel 47bis, § 2, of de persoon die de verklaring van benadeelde aflegde overeenkomstig artikel 5bis van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.
De procureur des Konings zendt de stukken over aan de procureur-generaal die ze ter griffie neerlegt.
Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel.
De griffier stelt de verzoeker en, in voorkomend geval zijn advocaat, per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg, uiterlijk achtenveertig uur vooraf in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
De procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat worden gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de procureur-generaal horen buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens een andere benadeelde persoon of verdachte en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift bij een met redenen omkleed arrest dat wordt meegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. Deze termijn is geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op vraag van de verzoeker of van zijn advocaat, of van een gehoorde partij of zijn advocaat.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan het openbaar ministerie uitnodigen een beslissing te nemen over de strafvervolging binnen een termijn die ze vaststelt. Ze kan het openbaar ministerie uitnodigen bijkomende opsporingshandelingen te verrichten waarvan ze de uitvoering noodzakelijk acht. Ze kan vaststellen dat de redelijke termijn is overschreden.
De verzoeker en de gehoorde partijen mogen geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing.