Alle wetboeken › Sv.

BOEK I De gerechtelijke politie en de officieren die ze uitoefenen (art. 8–136ter)

HOOFDSTUK IVter - De Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers.

47quaterdecies–47quindecies

Art. 47quaterdecies

Bij de uitoefening van hun bevoegdheden bedoeld in artikel 156/1 van het Gerechtelijk Wetboek, beschikken de Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers die worden aangewezen overeenkomstig artikel 309/2 van hetzelfde Wetboek over alle wettelijke bevoegdheden van de procureur des Konings. In het kader daarvan kunnen zij over het gehele grondgebied van het Rijk alle opsporingshandelingen of handelingen van gerechtelijk onderzoek verrichten of gelasten die tot hun bevoegdheden behoren, alsmede de strafvordering uitoefenen.

Wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, kunnen die Europese aanklager en deze gedelegeerde Europese aanklagers de zaak uitsluitend aanhangig maken bij de onderzoeksrechters bedoeld in artikel 79, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, gespecialiseerd om kennis te nemen van de misdrijven bedoeld in artikel 156/1, § 1, van hetzelfde Wetboek.

Art. 47quindecies

Wanneer een politiedienst niet het vereiste personeel en de nodige middelen kan geven aan de Europese aanklager of aan de gedelegeerde Europese aanklagers die worden aangewezen overeenkomstig artikel 309/2 van het Gerechtelijk Wetboek of aan de onderzoeksrechter bedoeld in artikel 79, zesde lid, van hetzelfde Wetboek bij wie door hen een strafrechtelijk onderzoek aanhangig wordt gemaakt, licht die de territoriaal bevoegde procureur-generaal daarover in. Indien de procureur-generaal geen oplossing vindt voor het gebrek aan personeel en middelen, wendt hij zich tot het College van procureurs-generaal dat, na overleg met de directeur-generaal van de gerechtelijke politie en na overleg met de Europese aanklager of de gedelegeerde Europese aanklagers, beslist aan welke vordering bij voorrang gevolg wordt gegeven.