Alle wetboeken › Oud BW

BOEK III — TITELS XIV TOT XX Wijze van eigendomsverkrijging (art. 2011–2281) › TITEL XX - VERJARING.

HOOFDSTUK I - ALGEMENE BEPALINGEN.

2219–2227

Art. 2219

Verjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.

Art. 2220

Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.

Art. 2221

Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

Art. 2222

Hij die niet kan vervreemden kan geen afstand doen van een verkregen verjaring.

Art. 2223

De rechter mag het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.

In afwijking van het eerste lid mag de rechter het middel van verjaring ambtshalve toepassen in het kader van de rechtsplegingen met betrekking tot betaling van een geldschuld ingesteld door een onderneming als bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, tegen een consument als bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van economisch recht.

Art. 2224

Men kan zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

Art. 2225

Schuldeisers, of alle andere personen die er belang bij hebben dat de verjaring verkregen is, kunnen zich daarop beroepen, hoewel de schuldenaar of de eigenaar ervan afstand doet.

Art. 2226

Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.

Art. 2227

De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.