Alle wetboeken › Oud BW

BOEK III — TITELS VI TOT XIII Wijze van eigendomsverkrijging (art. 1582–2010) › TITEL VIII - HUUR.

HOOFDSTUK IV - VEEPACHT.

1800–1820

Art. 1800

Veepacht is een contract waarbij de ene partij aan de andere vee geeft om het te bewaken, te voeden en te verzorgen, onder zodanige voorwaarden als tussen hen is overeengekomen.

Art. 1801

Er zijn verschillende soorten van veepacht:

Eenvoudige of gewone veepacht,

Veepacht bij helften,

Veepacht gegeven aan de pachter of aan de deelpachter.

Er is nog een vierde soort van contract, oneigenlijk 'veepacht' genoemd.

Art. 1802

Men kan alle soorten van dieren in veepacht geven, die voor de aanfok geschikt zijn of die voor de landbouw of de handel voordeel kunnen opleveren.

Art. 1803

Bij ontstentenis van bijzondere overeenkomsten worden die contracten naar de hiernavolgende beginselen geregeld.

Art. 1804

Eenvoudige veepacht is een contract waarbij men aan een ander dieren geeft om die te bewaken, te voeden en te verzorgen, onder voorwaarde dat de pachter de helft zal ontvangen van de aanfok, en dat hij ook de helft zal dragen van het verlies.

Art. 1805

Schatting van het vee in het contract van veepacht draagt de eigendom van het vee niet over op de pachter; zij dient alleen om het verlies of de winst bij het eindigen van de veepacht te bepalen.

Art. 1806

De pachter is verplicht voor het behoud van het gepachte vee als een goed huisvader te zorgen.

Art. 1807

Voor het toeval is hij alleen dan aansprakelijk indien er tevoren zijnerzijds enige schuld is geweest, zonder welke het verlies niet zou hebben plaatsgehad.

Art. 1808

In geval van geschil dienaangaande moet de pachter het bewijs leveren van het toeval, en de verpachter het bewijs van de schuld die volgens hem aan de pachter te wijten is.

Art. 1809

De pachter die, als gevolg van het toeval, van zijn verplichting ontslagen is, moet niettemin de huiden van de dieren verantwoorden.

Art. 1810

Indien het vee geheel teniet gaat buiten de schuld van de pachter, komt het verlies daarvan voor rekening van de verpachter.

Indien slechts een gedeelte teniet gaat, wordt het verlies gemeenschappelijk gedragen, volgens de schatting die gedaan is bij de aanvang, en die welke zal worden gedaan bij het eindigen van de veepacht.

Art. 1811

Men mag niet bedingen:

Dat de pachter het gehele verlies van het vee zal dragen, ook wanneer het door toeval en buiten zijn schuld is ontstaan,

Of dat hij in het verlies een groter aandeel zal hebben dan in de winst,

Of dat de verpachter, bij het einde van de veepacht, iets meer zal voorafnemen dan het door hem geleverde vee.

Alle zodanige overeenkomsten zijn nietig.

De pachter alleen geniet het voordeel van het zuivel, de mest en het werk van de in veepacht gegeven dieren.

De wol en de aanfok worden verdeeld.

Art. 1812

De pachter mag over geen enkel dier, hetzij van de oorspronkelijke kudde, hetzij van de aanfok, beschikken zonder toestemming van de verpachter, die evenmin erover mag beschikken zonder toestemming van de pachter.

Art. 1813

Wanneer het vee in pacht gegeven wordt aan de pachter van een ander eigenaar, moet deze laatste daarvan in kennis worden gesteld; anders kan hij op het vee beslag leggen en het doen verkopen voor hetgeen zijn pachter hem verschuldigd is.

Art. 1814

De pachter mag de schapen niet scheren zonder de verpachter daarvan vooraf te verwittigen.

Art. 1815

Indien de duur van de veepacht niet bij de overeenkomst bepaald is, wordt zij geacht te zijn aangegaan voor drie jaren.

Art. 1816

De verpachter kan de ontbinding ervan eerder vorderen, indien de pachter zijn verplichtingen niet nakomt.

Art. 1817

Bij het einde van de pacht, of bij de ontbinding ervan, wordt het vee opnieuw geschat.

De verpachter kan dieren van elke soort voorafnemen, ten belope van de eerste schatting; de overige worden verdeeld.

Indien er niet genoeg dieren zijn om de eerste schatting te bereiken, neemt de verpachter hetgeen over is, en de partijen vergoeden elkaar het verlies.

Art. 1818

Veepacht bij helften is een vennootschap waarbij ieder contractant de helft van het vee verstrekt, dat gemeen blijft wat winst en verlies betreft.

Art. 1819

De pachter alleen geniet, zoals bij eenvoudige veepacht, het voordeel van het zuivel, de mest en het werk van de dieren.

De verpachter heeft enkel recht op de helft van de wol en van de aanfok.

Iedere daarmee strijdige overeenkomst is nietig, tenzij de verpachter eigenaar is van de boerderij waarvan de pachter huurder of deelpachter is.

Art. 1820

Alle overige regels betreffende de eenvoudige veepacht zijn van toepassing op de veepacht bij helften.