Alle wetboeken › Ger.W.

DEEL IV Burgerlijke rechtspleging (art. 664–1385octiesdecies) › BOEK II _ GEDING. › TITEL III _ Tussengeschillen en bewijs.

HOOFDSTUK I _ Tussenvorderingen.

807–810

Art. 807

Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

Art. 808

In elke stand van het geding, zelfs bij verstek, kunnen de partijen de interesten, rentetermijnen, huurgelden en elk toebehoren, sedert de instelling van de vordering verschuldigd of vervallen, vorderen en zelfs de later bewezen verhogingen of schadevergoedingen, onverminderd de geldsommen bij schuldvergelijking verschuldigd.

Art. 809

Tussen de partijen in het geding worden de tussenvorderingen ingesteld bij conclusies, die ter griffie worden neergelegd en aan de overige partijen gezonden zoals bepaald is in de artikelen 742 tot 746.

Art. 810

Indien de tegenvordering de berechting van de hoofdvordering te zeer zou kunnen vertragen, worden de twee vorderingen afzonderlijk berecht.