Alle wetboeken › BW

BOEK 5 Verbintenissen › Titel 3 Algemeen regime van de verbintenis

Hoofdstuk 6 Opschortingsrecht

5.239

Art. 5.239

Exceptie van niet-uitvoering

§ 1.In een wederkerige rechtsverhouding kan de schuldeiser van een opeisbare verbintenis de nakoming van zijn eigen verbintenis opschorten totdat de schuldenaar de zijne uitvoert of aanbiedt ze uit te voeren. De opschorting moet te goeder trouw worden toegepast.

De bewijslast dat de schuldenaar zijn verbintenis is nagekomen of heeft aangeboden na te komen, rust op de schuldenaar. Indien de schuldeiser meent dat die nakoming of dat aanbod tot nakoming niet overeenstemt met hetgeen verschuldigd was, draagt hij de bewijslast.

§ 2.De schuldeiser kan de nakoming van zijn verbintenis tevens opschorten wanneer het duidelijk is dat zijn schuldenaar zijn verbintenis niet zal hebben uitgevoerd op het einde van de uitvoeringstermijn en dat de gevolgen van die niet-nakoming voldoende ernstig zijn voor hem. De schuldeiser kan de nakoming van zijn verbintenis niet meer opschorten indien de schuldenaar voldoende waarborgen biedt voor de goede uitvoering van de zijne.

§ 3.Wanneer de verbintenis van de schuldenaar nog niet opeisbaar is of wanneer de goede trouw dat vereist, moet de opschorting zonder onnodige vertraging schriftelijk ter kennis worden gebracht. De kennisgeving vermeldt de reden van de opschorting en de omstandigheden die de opschorting rechtvaardigen.