Alle wetboeken › BW

BOEK 5 Verbintenissen › Titel 2 Bronnen van verbintenissen

Hoofdstuk 4 Ongerechtvaardigde verrijking

5.135–5.137

Art. 5.135

Definitie

Er is ongerechtvaardigde verrijking wanneer iedere juridische rechtvaardiging ontbreekt voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming.

Een dergelijke rechtvaardiging bestaat met name in de wil van de verarmde, voor zover deze een definitieve vermogensverschuiving ten voordele van de verrijkte tot stand heeft willen brengen.

Art. 5.136

Subsidiariteit

De verarmde kan zich niet beroepen op de ongerechtvaardigde verrijking indien een andere rechtsvordering voor hem openstaat of op een rechtsbeletsel, zoals de verjaring, stuit.

Art. 5.137

Gevolg

Degene die ongerechtvaardigd is verrijkt, is aan de verarmde het laagste bedrag van de verrijking en de verarming verschuldigd, geraamd op het tijdstip van de vergoeding.