Alle wetboeken › BW

BOEK 5 Verbintenissen › Titel 2 Bronnen van verbintenissen

Paragraaf 2 Toestemming en wilsgebreken

5.28–5.39

Art. 5.28

Beginsel van het consensualisme

Het contract komt tot stand door de loutere wilsovereenstemming van de partijen.

Art. 5.29

Uitzonderingen op het beginsel van het consensualisme

Bij uitzondering kunnen de wet of het contract bepaalde vormvereisten opleggen of de overhandiging van een voorwerp vereisen.

Bij gebrek aan overhandiging van het voorwerp, komt het zakelijke contract niet tot stand.

Bij gebrek aan vervulling van de vormvereisten, is het vormelijk contract nietig wanneer deze sanctie uit de wet of het contract voortvloeit.

Vormvereisten louter opgelegd voor het bewijs of de tegenwerpelijkheid van het contract hebben geen invloed op de geldigheid ervan.

Art. 5.30

Functionele gelijkwaardigheid

§ 1.Aan elke wettelijke of reglementaire vormvereiste voor de totstandkoming van contracten langs elektronische weg is voldaan wanneer de functionele kwaliteiten van deze vereiste zijn gevrijwaard.

§ 2.Voor de toepassing van paragraaf 1, moet in overweging worden genomen dat:

1°aan de vereiste van een geschrift is voldaan door een geheel van alfabetische tekens of van enige andere verstaanbare tekens aangebracht op een drager die de mogelijkheid biedt toegang ertoe te hebben gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen en waarbij de integriteit ervan wordt beschermd, welke ook de drager en de transmissiemogelijkheden zijn;

2°aan de uitdrukkelijke of stilzwijgende vereiste van een handtekening is voldaan wanneer deze laatste beantwoordt aan de voorwaarden van ofwel artikel 3, 10° van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, ofwel artikel 3, 12° van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG;

3°aan de vereiste van een geschreven vermelding van degene die zich verbindt, kan worden voldaan door om het even welk procédé dat waarborgt dat de vermelding effectief uitgaat van deze laatste.

§ 3.Op voorwaarde dat ze het bestaan van praktische belemmeringen vaststellen voor het vervullen van een wettelijke of reglementaire vormvereiste in het kader van de totstandkoming van een contract langs elektronische weg, kunnen de bevoegde hoven en rechtbanken paragrafen 1 en 2 buiten toepassing laten op de contracten die tot één van de volgende categorieën behoren:

1°contracten die rechten doen ontstaan of overdragen ten aanzien van onroerende zaken, met uitzondering van huurrechten;

2°contracten waarvoor de wet de tussenkomst voorschrijft van de rechtbank, de autoriteit of de beroepsgroep die een publieke taak uitoefent;

3°contracten voor persoonlijke en zakelijke zekerheden welke gesteld worden door personen die handelen voor doeleinden buiten hun handels- of beroepsactiviteit;

4°contracten die onder het familierecht of het erfrecht vallen.

Art. 5.31

Afwezigheid van toestemming en wilsverhinderende dwaling

Het contract dat tot stand komt hoewel de toestemming van één van de partijen ontbreekt, is relatief nietig.

Het contract aangetast door een wilsverhinderende dwaling is slechts nietig indien de dwaling doorslaggevend en verschoonbaar is.

Art. 5.32

Materiële vergissing

Een materiële vergissing die voortvloeit uit een ongewilde discrepantie tussen de werkelijke gemeenschappelijke wil van de partijen en hun verklaarde wil, leidt niet tot de nietigheid van het contract, maar kan steeds worden rechtgezet.

Art. 5.33

Wilsgebreken

Geen toestemming is geldig wanneer zij het gevolg is van dwaling, bedrog, geweld of misbruik van omstandigheden, voor zover het wilsgebrek doorslaggevend is.

Tenzij de wet anders bepaalt, is een contract aangetast door een wilsgebrek relatief nietig, onverminderd de precontractuele aansprakelijkheid zoals bepaald in artikel 5.17.

Bedrog, geweld en misbruik van omstandigheden uitgaand van de medeplichtige van de medecontractant of van een persoon waarvoor deze laatste instaat, worden gelijkgesteld met deze van de medecontractant.

Art. 5.34

Dwaling

Dwaling is alleen dan een nietigheidsgrond indien een partij op een verschoonbare wijze een verkeerde voorstelling heeft van een element dat voor haar doorslaggevend is geweest om het contract te sluiten, terwijl de wederpartij op de hoogte was of behoorde te zijn van dit doorslaggevende karakter.

Dwaling kan betrekking hebben op feiten of op het recht.

Dwaling is geen nietigheidsgrond indien zij alleen de persoon betreft met wie men bedoelde te contracteren, tenzij het contract hoofdzakelijk uit aanmerking van deze persoon is aangegaan.

Is evenmin een nietigheidsgrond, de dwaling die uitsluitend de waarde van een voorwerp of prestatie of de prijs betreft, tenzij zij voortvloeit uit een dwaling over een doorslaggevende eigenschap van het voorwerp van het contract.

Art. 5.35

Bedrog

Bedrog is alleen dan een nietigheidsgrond indien een partij werd misleid door kunstgrepen die haar medecontractant opzettelijk heeft aangewend.

Een kunstgreep kan bestaan uit het opzettelijk achterhouden van informatie waarover men beschikt en die men diende mee te delen overeenkomstig artikel 5.16.

Bedrog is een nietigheidsgrond, ongeacht of de dwaling ten gevolge van dat bedrog verschoonbaar is.

Bedrog wordt niet vermoed, maar moet worden bewezen.

Art. 5.36

Geweld

Geweld is alleen dan een nietigheidsgrond indien een partij een contract sluit onder onrechtmatige dwang van haar medecontractant die haar doet vrezen voor een aanzienlijke aantasting van de fysieke of morele integriteit of het vermogen van die partij of van haar naasten.

Art. 5.37

Misbruik van omstandigheden

Er is misbruik van omstandigheden wanneer bij de contractsluiting een kennelijk onevenwicht bestaat tussen de prestaties als gevolg van het misbruik door de ene partij van omstandigheden die verbonden zijn aan de zwakke positie van de andere partij.

In dit geval kan de zwakke partij aanspraak maken op de aanpassing van haar verbintenissen door de rechter en, indien het misbruik doorslaggevend is, op de relatieve nietigheid.

Art. 5.38

Benadeling

Een onevenwicht tussen de prestaties van de partijen is geen nietigheidsgrond, tenzij de wet anders bepaalt.

Art. 5.39

Veinzing

Er is veinzing wanneer partijen een schijncontract sluiten terwijl zij door een verborgen contract, de tegenbrief, het schijncontract wijzigen of teniet doen.

Tussen de partijen geldt de tegenbrief.

Derden te goeder trouw kunnen kiezen om zich te beroepen hetzij op het schijncontract hetzij op de tegenbrief.