Vrijwaring
§ 1.De mede-erfgenamen moeten elkaar alleen voor die stoornissen en uitwinningen vrijwaren, waarvan de oorzaak vóór de verdeling bestond.
Vrijwaring vindt niet plaats indien ze betrekking heeft op een uitwinning die door een bijzonder en uitdrukkelijk beding in de akte van verdeling is uitgesloten. Zij houdt op wanneer de mede-erfgenaam door eigen schuld uitwinning ondergaat.
§ 2.Ieder mede-erfgenaam is persoonlijk gehouden, naar evenredigheid van zijn erfdeel, zijn mede-erfgenaam schadeloos te stellen voor het verlies dat de uitwinning hem heeft veroorzaakt.
Indien een van de mede-erfgenamen onvermogend is, wordt het door hem verschuldigde aandeel evenredig omgeslagen over de gevrijwaarde en alle erfgenamen die in staat zijn te betalen.
§ 3.De vordering tot vrijwaring tegen het onvermogen van de schuldenaar van een rente kan slechts worden ingesteld binnen vijf jaar na de verdeling.
Er bestaat geen grond tot vrijwaring wegens het onvermogen van de schuldenaar, wanneer dit pas na het voltrekken van de verdeling is ontstaan.