Eigen schulden
§ 1.Met behoud van de toepassing van de paragrafen 2 tot 4, kan een eigen schuld van een van de echtgenoten slechts verhaald worden op diens eigen vermogen en inkomsten.
§ 2.De schulden die krachtens artikel 2.3.23 eigen zijn aan een van de echtgenoten, kunnen worden verhaald op het gemeenschappelijk vermogen, in zoverre het verrijkt is door opneming van eigen goederen van de schuldenaar.
Het bewijs van de verrijking, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen.
§ 3.Schulden behorende tot een door een van de echtgenoten uitgeoefend beroep dat hem verboden is met toepassing van artikel 216 van het oud Burgerlijk Wetboek, of ontstaan uit handelingen die een van de echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van de andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging, kunnen op het gemeenschappelijk vermogen niet worden verhaald dan in zoverre het uit dat beroep of die handelingen voordeel heeft getrokken.
Het bewijs van het voordeel, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen.
§ 4.Dezelfde regels gelden voor de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling van een van de echtgenoten of uit een onrechtmatige daad door hem begaan.
Indien het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar ontoereikend is, kunnen deze schulden bovendien op het gemeenschappelijk vermogen worden verhaald ten belope van de helft van zijn netto-baten.